De margeontwikkeling is in het derde kwartaal van 2011 licht negatief. Aannemers in de woningbouw rekenen iets minder kosten door dan dat zij aan lonen en materialen kwijt zijn. De index voor de loon- en materiaalkosten stijgt met 0,4 punten, terwijl de outputindex stabiel blijft. Dit blijkt uit door BouwKennis bewerkte gegevens van het CBS.
Aannemerskosten voor het bouwen van een woning bestaan grotendeels uit lonen en prijzen van materialen. Deze registreert het CBS onder de naam 'inputindex nieuwbouwwoningen'. Daarnaast houdt het nationale statistiekbureau ook een 'outputindex nieuwbouwwoningen' bij. Dat zijn de kosten die aannemers in rekening brengen bij de opdrachtgever.
In de outputindex komen bovenop de loon- en materiaalcomponent ook kosten voor materieel, algemene kosten, meerwerk en een winst- en risico-opslag. Buiten beschouwing blijven echter de grondkosten en kosten van een ontwikkelaar of makelaar voor de opdrachtgever.
Negatieve margeontwikkeling
Het verschil tussen de output- en de inputindex loopt fors op vanaf 2009. Met name sinds het derde kwartaal van 2009 zet deze trend versterkt door. Dit duidt op een margeverkrapping bij aannemers in de woningnieuwbouw.
Het doorberekenen van de gemaakte kosten is sterk verbonden met de conjunctuur. In tijden van laagconjunctuur is er weinig bouwactiviteit, waardoor de concurrentie hoog is. Dat weerhoudt aannemers ervan om alle kosten door te berekenen aan de opdrachtgever. Door lagere prijzen te hanteren kunnen namelijk nog opdrachten worden binnengehaald.

| Bouwkosten en doorberekening kosten (Q1 2005 = 100) |
|---|
| | Q1 2005 | Q2 2005 | Q3 2005 | Q4 2005 | Q1 2006 | Q2 2006 | Q3 2006 | Q4 2006 | Q1 2007 | Q2 2007 | Q3 2007 | Q4 2007 | Q1 2008 | Q2 2008 | Q3 2008 | Q4 2008 | Q1 2009 | Q2 2009 | Q3 2009 | Q4 2009 | Q1 2010 | Q2 2010 | Q3 2010 | Q4 2010 | Q1 2011 | Q2 2011 | Q3 2011 | Q4 2011 |
| Outputindex | 100,0 | 99,3 | 101,5 | 103,9 | 100,7 | 101,7 | 101,2 | 101,5 | 103,4 | 104,5 | 106,9 | 109,2 | 111,3 | 111,3 | 111,6 | 114,2 | 112,8 | 111,9 | 111,8 | 108,5 | 105,1 | 106,3 | 104,9 | 107,1 | 106,2 | 105,5 | 105,5 | |
| Inputindex | 100,0 | 100,1 | 100,5 | 100,9 | 102,2 | 102,9 | 104,3 | 104,9 | 106,9 | 107,7 | 108,3 | 108,2 | 110,5 | 112,3 | 113,9 | 112,9 | 113,7 | 113,0 | 112,7 | 111,8 | 112,7 | 113,5 | 113,7 | 114,0 | 115,0 | 115,5 | 115,9 | 116,0 |
| Bron: CBS StatLine/berekening BouwKennis, februari 2012 |
|---|
Materiaalprijzen volgen weer het gemiddelde prijspeil
De materiaalprijzen zijn naar verhouding hard gestegen de afgelopen jaren door de grote vraag uit landen als China, India of Brazilië. Na de wereldwijde stimuleringsmaatregelen namen de grondstofprijzen weer toe, met name de olieprijs.
De wereldeconomie is momenteel uiterst instabiel. Vooral de Eurozone is in de woorden van het CPB aan het ‘doormodderen’. In de VS lijkt de economie zich iets gunstiger te ontwikkelen, maar ook hier is het herstel verre van degelijk. Hierdoor ontwikkelen de grondstofprijzen zich ook gematigd.
Looncomponent volgt cao
Bij het bepalen van de looncomponent wordt uitgegaan van de contractuele loonkosten zoals is vastgelegd in de cao's. Lonen zijn een constante factor in de toename van de inputindex. Dit komt doordat in Nederland de lonen doorgaans minimaal het verloop van de inflatie volgen.
Concurrentiedruk
Aannemers zijn vaak verzekerd tegen tussentijdse prijsstijgingen van materialen. Maar bij nieuwe opdrachten leidt een stijging van de inkoopprijzen tot een dilemma. Uit concurrentieoverwegingen zullen sommige aannemers genoodzaakt zijn een deel van de prijsstijgingen voor eigen rekening te nemen. Of dit leidt tot werken onder de kostprijs, hangt af van de hoogte van de opslag die zij hanteren.